Niet zo lang geleden vroeg een model me of er een zelfportret bestond dat mij toont zoals ik werkelijk ben – een foto “waarop je je het meest jezelf voelt?”

Die vraag was niet misplaatst, want ik probeer in mijn portretten van anderen altijd een zekere waarachtigheid te vinden. De foto van haar die ik het mooist vond, was er een waarin ze de kijker recht aankijkt, met een mengeling van openheid en loomheid. Gemaakt op een verzengend hete dag, lijkt het alsof de hitte alle vormen van schijn heeft weggevaagd.

Bij mijn zelfportretten ligt dat anders. Ik kijk ook naar mezelf zonder bekommernis om schoonheid. Het maakt me niet uit of ik er goed uitzie op die foto's. Maar geen van die beelden probeert mij op de meest waarachtige manier te tonen – ze zijn geënsceneerd.

Er zit een onverklaarbare vreugde in het fotograferen van jezelf, een andere soort creatieve vreugde dan alle andere. Een locatie kiezen, een statief opstellen, iets uitzoeken om aan te trekken of te doen — dat alles roept een uniek, privé en fantasierijk universum op. Los van de werkelijkheid, en toch onmiskenbaar ermee verbonden (wat misschien voor elke foto geldt).

‘A place of ones’ own’ gaat niet over identiteit (ontdekken wie je ‘echt’ bent), maar over anders-zijn. Ze zijn geen oefening voor het gewone leven. Wat zo wonderlijk is, is juist dat deze versies van mezelf alleen bestaan binnen het fotografische universum — en daar is alles mogelijk. Ik kan ernaar kijken met verwondering, alsof ik de persoon op de foto niet ken, maar misschien wel meer over hen zou willen weten. Het is net als kijken naar oude foto's op een rommelmarkt.

Claude Cahun zei ooit dat achter elk masker gewoon weer een ander masker zit. Ik zie dat als een uitnodiging om je eigen plek op te eisen en onophoudelijk te fotograferen — net om jezelf niet te vinden.